Latijns-Amerika magazine.

Interoceánica – Perfecte duisternis

18-02-2020 door Jasper Vervaeke

» Columns » Diáspora » Reizen

Samen met zijn vrouw reist Jasper Vervaeke van Lima naar Rio de Janeiro, van de Stille naar de Atlantische Oceaan, dwars door het hart van Zuid-Amerika. Hij laat zich inspireren door sociale en actuele ontwikkelingen en bijzondere ontmoetingen. Op conSentido deelt hij regelmatig een fragment uit zijn reisdagboek. 

Perfecte duisternis

Potosí, Bolivia, 18 december 2019

We accept that the tour agency will not be held responsible for accidents, injury or death that could occur during the mining tour.
We ondertekenen de verklaring zonder al te lang nadenken.
‘Gaan er nog andere mensen mee?’ vraag ik ietwat bezorgd aan de vrouw van het agentschap.
‘Nee, alleen jullie twee. Door de politieke problemen van vorige maand zijn er maar weinig toeristen.’
‘We hebben ervan gehoord. Omwille van de onrust hebben we ons bezoek aan Bolivia een paar weken uitgesteld.’
‘Hier in Potosí hebben het protest en de staking meer dan dertig dagen geduurd’, vertelt de vrouw. ‘Alles lag stil. De scholen bleven dicht, niemand ging werken. De winkels en markten waren gesloten, de bussen reden niet. Er was zelfs geen voedselbevoorrading. Het was hard, maar we hebben het been stijf gehouden. Hier was iedereen hem allang beu. Daarom moesten we zo lachen toen we de verkiezingsuitslagen te horen kregen. Precies in het departement Potosí had hij gewonnen met een monsterscore. Toen wisten we zeker dat er fraude in het spel was.’

‘En waarom moesten jullie dan niets meer van hem hebben?’
Hij heeft nooit iets voor ons gedaan. De druppel die de emmer deed overlopen was een deal rond de ontginning van het lithium onder de zoutvlakte van Uyuni. Hij zou een akkoord gesloten hebben met een Duits bedrijf, maar naar het schijnt had het bedrijf geen enkele ervaring en zou er pas binnen tien jaar winst zijn. Bovendien zou maar drie procent van de inkomsten naar ons departement gaan.’

Daar waar nu het lithium uit Uyuni de buitenlandse investeerders aantrekt, was het vroeger het zilver uit Potosí. De cerro rico, de rijke berg, werpt zijn schaduw over de stad. Je hoeft maar een straathoek om te wandelen en daar doemt hij op, imposant en onheilspellend. Het is geen vulkaan, maar toch gaat er iets dreigends van uit, alsof hij op elk moment kan instorten en de stad kan bedelven onder het puin. De berg is de bron van alle rijkdom van de stad, en tegelijkertijd de bron van al haar miserie.  

Hoewel de cerro rico al eeuwenlang wordt ontgonnen en de Spanjaarden met het leeuwendeel gaan lopen zijn, is hij blijkbaar nog steeds niet volledig uitgeput. Vandaag gaan we een bezoek brengen aan de vermaarde zilvermijn, die meer nog dan andere mijnen symbool staat voor de koloniale uitbuiting van Latijns-Amerika in het bijzonder en van het zuidelijk halfrond in het algemeen — vervang het zilver door diamant en je hebt Belgisch-Congo.   

Onze gids is de goedlachse W, een man van rond de veertig die van kinds af aan in de mijn werkt. Hij neemt ons eerst mee naar de mijnwerkersmarkt aan de voet van de berg. Daar kopen we attenties voor de mijnwerkers die we zullen tegenkomen, als appreciatie voor de inkijk in hun erbarmelijke werkomstandigheden. We kopen cocabladeren, frisdrank, water en dynamietstaven. Dynamietstaven? Ja, zo legt W uit, dit is de enige markt ter wereld waar je zomaar dynamiet kunt kopen.   

Na het bezoek aan de markt krijgen we een overall, laarzen en een helm met hoofdlamp en kleden we ons om. De volgende stop is een raffinaderij waar machines als monsters het kaf (de rots) van het koren (de mineralen, in dit geval zilver, lood en zink) scheiden en vermalen tot een donkergrijze drab. Na uren drogen in de hoogtezon verandert de drab in een glinsterend gruis. W strooit een hoopje in mijn handpalm.

‘Zo wordt het met vrachtwagens weggevoerd en uiteindelijk verscheept naar Amerika, Azië en Europa. En nadien moet Bolivia de afgewerkte producten terug invoeren. Hij heeft hier nooit een fabriek willen bouwen.’
K neemt een foto van het gruis met haar smartphone.
‘Met de smartphones is het hetzelfde verhaal’, zegt W. ‘Het lithium voor de batterijen komt van hier, uit Uyuni, maar uiteindelijk moeten we de telefoons invoeren.’
W haalt het dynamiet uit zijn tas en houdt het als een toorts in de lucht.
‘Willen jullie weten waar wij mijnwerkers dit bij hem zouden steken, mocht hij niet constant omringd zijn door bodyguards? Daar waar de zon nooit schijnt.’  

Na het bezoek aan de raffinaderij rijden we met de taxi de berg op voor het eigenlijke bezoek aan de mijn. De ingang van W’s mijnwerkerscoöperatie is niet meer dan een gat in de berg, gestut met houten balken. Gebukt door de opening gaan voelt als de onderwereld betreden.  

Terwijl we door de gangen dwalen, moeten we ons lichaam af en toe tegen de stoffige wanden plakken om plaats te maken voor mijnwerkers die komen aanrijden met kruiwagens vol brokken ruwe rijkdom. De risico’s flitsen door mijn hoofd: een instorting, een ontploffing die slecht afloopt, een val door een van de schachten.  

Op onze tocht door het donkere labyrint zien we onder andere een oude man aan het werk. Hij kapt de brokken met hamer en beitel uit de rots en gooit ze met de blote hand op een hoop.
‘Hij werkt hier al dertig jaar’, vertelt W later. ‘Hij heeft niet lang meer te leven. Wie hier begint te werken, weet dat hij met moeite de vijftig haalt.’
We maken ook kennis met een jongere mijnwerker. Aan hem schenken we het dynamiet. Hij geeft een kleine demonstratie. Vanop een veilige afstand, een paar kronkels verderop in de tunnel, klinkt de explosie als een doffe plof.

Nadien laat W ons een kruiwagen vol scheppen met brokken rots en mineralen. Binnen de kortste keren zijn we buiten adem, omwille van de hoogte (Potosí ligt op vierduizend meter) maar vooral omwille van het loodzware werk. Wanneer de kruiwagen vol is, zegt W dat ik ermee naar buiten moet rijden. Ik kan hem nauwelijks opheffen, laat staan dat ik hem in evenwicht zou kunnen houden en door de donkere gangen naar buiten zou kunnen loodsen.    

En zeggen dat de mijnwerkers dit werk hele dagen doen, soms vierentwintig uur aan een stuk. Om wakker te blijven, geen honger te krijgen en het uur bij te houden kauwen ze de hele tijd door coca. Ze hamsteren de blaadjes in hun wangen, een bol zo groot als een pingpongbal.  

Op het einde gaan we ergens in de mijn voor een standbeeld zitten, een klein demonisch figuur met de fallus van een Griekse sater.
‘Dit is Tío’, zegt W. ‘Aan hem offeren we sigaretten, cocablaadjes, scheuten bier en pure alcohol. Wij mijnwerkers verkiezen pure alcohol boven bier. Veel goedkoper en efficiënter. Eens proeven?’
Hij haalt een flesje uit zijn zak. We nippen van het goedje. Het minste slokje geeft meteen een schroeiend gevoel in de keel.

‘In ruil voor onze offers beschermt Tío ons en brengt hij ons geluk’, legt W uit. ‘We werken hier in coöperaties, maar eigenlijk is het ieder voor zich. Elke mijnwerker ontgint zijn eigen ader. Een ader is totaal onvoorspelbaar. Een smalle ader kan later breder worden, en omgekeerd: een brede ader die rijk is aan mineralen, kan geleidelijk aan verdunnen en uitsterven. Als je geluk hebt, zit je ader vol met zilver. Heb je minder geluk, dan zit er vooral zink en lood in.’    

Op een gegeven moment vraagt W om onze hoofdlamp te doven. Ook hij dooft de zijne. Hoewel we vlak naast elkaar zitten, kunnen we elkaar niet meer zien. Zelfs een hand vlak voor onze ogen is onzichtbaar. Een zwarte muur trekt zich voor ons op, een duisternis die zo perfect is dat het lijkt alsof je ze kan aanraken.

reageren