Latijns-Amerika magazine.

Verzet en de mars voor zes procent in Nicaragua

05-06-2012 door Jetske Hijlkema

» Columns » Diáspora

Tijdens mijn master Latijns-Amerikaanse studies werd ons verteld over het verschijnsel gedwongen solidariteit, een fenomeen dat zich in verschillende Latijns-Amerikaanse landen manifesteert en waarvan ik gisteren getuige en deelgenoot was. Nadat de Sandinisten de presidentsverkiezingen van 1990 verloren, besloten ze om zich vanuit benedenaf te verzetten tegen het nieuwe, neoliberale beleid. Dit leidde tot vele demonstraties en stakingen.

Eén van de stokpaardjes was de 6%-strijd voor publieke universiteiten: oftewel dat zes procent van de begroting aan dit type onderwijs wordt besteed. Na een verhitte strijd, met een aantal doden aan de kant van de studenten als gevolg, werd dit principe in de grondwet verankerd. Het is echter in verhouding tot wat er aan primair en secundair onderwijs wordt besteed een extreem getal. Deze vormen van onderwijs ontvangen gezamenlijk slechts 3.7 % van de begroting. Schrijnender wordt het verschil als men zich bedenkt dat slechts 1 van de 100 kinderen die op de lagere school begint, het tot de universiteit haalt.

Dat vond het Internationaal Monetair Fonds (IMF) ook, dat de afgelopen weken in Nicaragua op bezoek was om het land op financieel gebied te adviseren. Het voorstel was om een deel van de 6% voor publieke universiteiten aan primair en secundair onderwijs te besteden om de verhouding gelijkwaardiger te maken. Dit heeft echter, logischerwijs, een grote impact op de universiteiten en vandaar dat ik hier vanochtend met medewerkers en studenten de straat op ging. Voorop liepen een aantal studenten met een spandoek waarop te lezen stond dat Nicaragua een soeverein land is. Docent Engels Miguel motiveerde vanuit een auto met microfoon de menigte met opbeurende teksten en bij het eindpunt, het centrale park, klom decaan Emilio op de barricades om de 6% te verdedigen, daarbij gekleed in ‘protestkleding’. Het voorstel van de Nationale Universitaire Raad (Consejo Nacional Universitario, CNU) is om niet te korten op het budget van de publieke universiteiten ten gunste van primair en secundair onderwijs, maar om het budget van de laatstgenoemden te verhogen zodat er meer evenwicht is. Een prima voorstel, zeker in een land waar de bevolking jong is.

Een ander voorstel van het IMF, een dat direct werd opgenomen in de verzetsmars, is het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd naar 65 jaar en het aantal gewerkte weken om in aanmerking te komen voor pensioen naar 1500 (wat ongeveer gelijk staat aan dertig jaar). Momenteel ligt de pensioenleeftijd op 60 en het minimale aantal gewerkte weken op 750. In een land waar de levensverwachting rond de 72 jaar ligt, is dit voorstel behoorlijk belachelijk te noemen. Bovendien is het bij veel banen – vooral in de informele sector – niet eens mogelijk om te sparen noch weken op te bouwen voor het pensioen. Eveneens problematisch is dat het pensioen gebaseerd wordt op het laatstgenoten loon: de reden waarom veel werknemers op leeftijd in hun laatste werkzame jaren proberen een zo hoog mogelijk salaris te verkrijgen. Ten slotte is de pensioenpot door verschillende regeringen als een potje voor eigen gewin beschouwd, voor extra inkomsten of renteloze ‘leningen’ en is de bodem in zicht. Voldoende reden om dáár tegen in verzet te komen, in plaats van tegen het IMF dat ook door de huidige regering met open armen wordt ontvangen.

reageren